“Mam? Kunnen wij een hond nemen?” Die vraag hebben de kinderen jarenlang regelmatig gesteld. Smeekbedes volgden, compleet met grote, smekende ogen. Maar mijn antwoord bleef altijd hetzelfde: “Nee, dat doen we niet. We hebben geen tijd en ruimte voor een hond. Het zou alleen maar zielig zijn, want we zijn te vaak van huis.”
Jarenlang hield ik dat vol. Totdat we verhuisden en ik een nieuwe baan kreeg. Ons nieuwe huis staat pal naast het bos en ik was veel meer thuis. Dag in dag uit zagen we mensen met honden voorbijlopen. Dus toen de kinderen opnieuw vroegen om een hond, voelde ik het: mijn gebruikelijke ‘nee’ hield geen stand meer.
Zeker toen mijn man met de kinderen begon samen te spannen. Wat doe je als drie paar smekende ogen je aanstaren?
“Oké, maar geen puppy. Ik wil een hond die een nieuw baasje zoekt.” Dat hoef ik geen twee keer te zeggen, want binnen no time komen de foto’s van honden die een huis nodig hebben binnendruppelen. Maar geen van hen overtuigt me echt. Ondertussen heeft mijn man wel een duidelijke eis: het moet geen ‘deurstopper’ zijn.
Twijfels slaan wel toe. Ik heb nog nooit een hond gehad. ‘Kan ik dit wel? Als we hieraan beginnen, is er geen weg terug.’ Gelukkig ken ik iemand die veel van honden weet en connecties heeft met een asiel. Ik stuur haar een berichtje: “We willen een hond. Jij kent ons, dus wil je voor ons je ogen en oren openhouden? Als je een hond tegenkomt die echt bij ons past, laat het me dan weten.”
Een week later krijg ik een bericht: “Ik weet een hond, echt iets voor jullie.” Er zit een foto bij. Maar ik denk: “Nee, ik zeg niks tegen de mannen. Als ik niets doe, komt er vanzelf iemand anders die hem ophaalt.”
Een week later volgt weer een bericht: “Deze hond is écht iets voor jullie. Hij zit in het asiel, maar kan daar niet aarden. Super lief, en zeker geen deurstopper. Zijn baasje is overleden, dus ze zoeken dringend een nieuw huis voor hem. Ik denk toch écht dat deze hond iets voor jullie is, niemand heeft hem nog opgehaald.”
‘Ach, wat zielig,’ denk ik. ‘We gaan wel even kijken.’ Dus daar gaan we: kinderen in de auto en op naar het asiel.
Bij de receptie zitten we vol spanning te wachten. En daar komt hij: een enorme hond genaamd Boet. Een kruising tussen een Berner Sennen en een Newfoundlander, 35 kilo en puur zwart met een witte bef. Geen deurstopper, dat is zeker! We lopen een rondje met hem en het is meteen duidelijk: hij hoort bij ons. Boet lijkt het ook wel met ons eens te zijn, want hij loopt enthousiast mee naar de auto. Voor we het weten, zit de hele kofferbak vol hond, en maken we een stop bij de dierenwinkel voor een waterbak, kleed, voer en nog wat spullen.
Het is even wennen voor hem én voor ons, maar al snel worden Boet en ik dikke maatjes. Hij ziet mij als het hoofd van de roedel (eindelijk iemand die het doorheeft in huis! ) en volgt me overal.
Toch blijf ik nieuwsgierig naar zijn achtergrond. Na wat gepriegel in zijn hondenpaspoort vind ik de naam van zijn vorige baasje. Een korte zoektocht op internet brengt me bij een rouwadvertentie, en ineens herken ik een naam: ik ben bevriend met een van de dochters op Facebook!
Al snel leg ik contact met haar. Wat een opluchting voor het gezin om te horen dat Boet een gouden mandje heeft gevonden. Hun vader moest plotseling afscheid nemen van zijn trouwe viervoeter toen hij ernstig ziek werd. Boet en hij waren echt een hecht team, hij was als een kind voor hem. Helaas konden zijn kinderen Boet niet in huis nemen. Wat fijn om meer over hem te horen en over Boets leven voordat hij bij ons kwam. Voor zijn pensioen was hij een koster van een kerk, dus ik denk een gelovig man. Dan kan ik me zo voorstellen dat hij zijn zorgen en dat wat hij moest loslaten, in gebed bij God heeft neergelegd toen hij hoorde dat hij zou gaan sterven.
Boet kreeg een nieuw thuis, wij kregen er een nieuw gezinslid bij en zijn vroegere familie rust met het weten dat papa’s maatje zo goed terecht is gekomen. Het voelt als meer dan toeval, het voelt als Gods leiding. Zoals het in Psalm 145:9 staat: “De Heer is goed voor alles en iedereen, en Hij ontfermt zich over al Zijn schepselen.”