Soms zijn er van die momenten dat ik met totale verbazing naar mijn kinderen kijk en denk: ‘Hoe dan?! Welke afslag hebben zij gemist?’ Begrijp me niet verkeerd, ik hou écht van ze, maar soms denk ik: ‘Die kan niet van mij zijn.’
In de droger
Eén van mijn kinderen komt de keuken inlopen en zegt: “Deze broek is niet droog.” Hij heeft de broek van de waslijn gehaald, die de avond ervoor is opgehangen. “Dat kan kloppen,” zeg ik. “De broek is net gewassen, maar gooi hem even in de droger, dan is hij zo droog. Haal wel eerst de handdoeken eruit die ik er net in heb gedaan. Doe maar in de wasmand die ervoor staat.”
Zo gezegd, zo gedaan. Even later zie ik hem weer langslopen, de broek alweer aan. “Ah, mooi, je broek is droog. Heb je de handdoeken er weer in gedaan?” “Neuh,” zegt hij. “Ik wist niet op welke stand de droger dan moest.” Hûh? Dat is de eerste verbazing. Wat heeft de stand te maken met het terugdoen van de was in de droger? Heeft hij überhaupt gekeken? Er zit toch echt een stand ‘handdoeken’ op. Maar goed, ik vertel hem welke stand hij moet gebruiken. Hij regelt het en vertrekt.
Na vijftien minuten hoor ik de droger piepen. Klaar. Dat is snel. Normaal duurt dat programma ruim een uur. Ik ga eens kijken. In de droger zit inderdaad een ‘witte was’, maar voor de droger staat ook een wasmand vol met ‘witte was’. Ik voel. Vochtig. Dat lijkt de was te zijn die in de droger had gemoeten. Maar wat ligt er dan wél in de droger? Ik doe het deurtje open en ruik het meteen. Vieze was. Hij heeft gewoon een stapel ongewassen handdoeken en ondergoed in de droger gegooid die in een andere wasmand zat. Hoe dan?! Als ik het ’s avonds tegen hem zeg, schiet hij in de lach. “Oh ja, ik dacht al: die was ruikt niet heel fris.”
Technisch gezien heeft hij gelijk…
En dan mijn andere kind. Ik heb hem gevraagd of hij de vaatwasser wil uitruimen. Aan het eind van de dag kom ik thuis en zie een stapel vuile vaat op het aanrecht. “Joh, ik had jou gevraagd om de vaatwasser uit te ruimen,” zeg ik. “Dat heb ik gedaan!” zegt hij direct. “Maar waarom staat de vuile vaat dan nog op het aanrecht?” “Ja, hallo, je hebt me niet gevraagd om de vaatwasser weer in te ruimen.” Ik heb kortsluiting. Hoe dan?!
En ik dan?
Hoe vaak moet God wel niet “Hoe dan?!” hebben gedacht over Zijn kinderen. En over mij?!
Neem Jona, die naar Ninevé moest maar een compleet andere kant op ging. Of David, die een oogje liet vallen op de buurvrouw en haar echtgenoot expres in gevaar bracht. Of kijk gewoon naar mijn eigen leven, met keuzes die achteraf niet altijd even handig waren. Want laten we eerlijk zijn: ik heb ook mijn ‘Hoe dan?!’-momenten.
Bijvoorbeeld als ik me voorneem: ‘Ik kies vandaag bewust voor vriendelijkheid, opbouwende woorden, en ga niet mee in geklets over anderen’. Maar dan heb ik een gezellig gesprek, en voor ik het weet laat ik me verleiden om tóch mee te praten over iemand anders. En dan als ik alleen ben komt het besef: ‘Waarom deed ik dat? Hoe dan?!‘
Ik kan me zo voorstellen dat God dan naar mij kijkt, glimlacht en zegt: ‘Lieve Regina, is dit wat je echt wilde? Denk eraan, ook die ander is mijn kind.’ Maar in plaats van zuchtend zijn hoofd af te wenden, blijft Hij. Vol liefde, vol genade. En net zoals ik onvoorwaardelijk van mijn kinderen houd, blijft Hij van mij houden. Ondanks al mijn ‘Hoe dan?!’-momenten.
Gelukkig!